ECLI:NL:CRVB:2012:BW6932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over weigering Ziektewet-uitkering wegens onjuiste maatstaf arbeid
Appellant viel in oktober 2004 wegens psychische klachten uit voor zijn werk als magazijnmedewerker en werd in 2006 niet ongeschikt geacht voor de maatgevende functie en passende functies. Na diverse tijdelijke werkzaamheden en een ziekmelding in februari 2009, weigerde het UWV hem ziekengeld toe te kennen omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor de functie van inpakker.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV ten onrechte de functie van inpakker als maatstaf voor arbeid hanteerde. Volgens vaste rechtspraak geldt als maatstaf de laatst feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde blijvend ongeschikt is en geen werk heeft hervat, dan geldt de gangbare arbeid.
De Raad stelt vast dat appellant na de ziekmelding het laatst werkte als reachtruckchauffeur, maar dat dit werk zijn belastbaarheid overschreed. Wel was hij geschikt voor het werk als machineoperator, dat hij eerder naar behoren verrichtte. Daarom moet dat werk als maatstaf gelden. Het besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd omdat de maatstaf arbeid onjuist is vastgesteld; het werk als machineoperator geldt als maatstaf in plaats van de functie van inpakker.