ECLI:NL:CRVB:2012:BW6868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld bij toegenomen beperkingen en medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich meerdere malen ziek wegens lichamelijke en psychische klachten, waaronder de ziekte van Crohn, rug-, knie- en polsklachten. Het UWV besloot op verschillende momenten dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, waarbij bezwaarverzekeringsartsen oordeelden dat appellant geschikt was voor bepaalde functies ondanks zijn beperkingen.
Appellant voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat hij niet lichamelijk was onderzocht en dat niet alle klachten adequaat waren meegenomen. De rechtbank verklaarde zijn beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad oordeelde dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek niet automatisch betekent dat het onderzoek onzorgvuldig is, mede omdat de artsen beschikten over uitgebreide medische informatie en appellant zowel lichamelijk als psychisch hadden onderzocht.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen op de relevante data verder waren toegenomen. Ook de door appellant overgelegde medische verklaringen zagen niet op de data van de beslissingen. De Raad vond geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen en zag geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en het recht op ziekengeld werd ontzegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en hij geschikt werd geacht voor passende functies ondanks toegenomen beperkingen.