ECLI:NL:CRVB:2012:BW6616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning WIA-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WIA-uitkering op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 14 juni 2007. Het UWV had dit verzoek geweigerd op basis van een medisch onderzoeksverslag van 28 september 2010, waarin geen toename van beperkingen werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het feit dat appellante tussen februari en oktober 2008 uitkeringen op grond van de Ziektewet ontving, niet betekent dat haar beperkingen in het kader van de WIA zijn toegenomen. Appellante stelde in hoger beroep dat het beoordelingskader van de Ziektewet en de WIA gelijk zouden zijn, en dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, maar deze standpunten werden verworpen.
De Raad benadrukte dat het UWV de toegenomen beperkingen primair moet beoordelen op grond van de Wet WIA en dat het toekennen van Ziektewetuitkeringen niet automatisch duidt op toegenomen beperkingen. Ook werd geen overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd.