ECLI:NL:CRVB:2012:BW6565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit kapsalonactiviteiten
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, waarbij appellante vanaf 1 april 2004 tot 10 januari 2006 stage liep en daarna werkte in een kapsalon. Het college stelde na onderzoek dat appellante in deze periode inkomsten genoot die niet aan het college waren gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
De rechtbank had het college bevoegd verklaard om de bijstand met ingang van 1 april 2004 in te trekken, waarna appellanten in hoger beroep gingen. De Raad bevestigt dat de verklaringen van appellante en het onderzoek van de sociale recherche voldoende feitelijke grondslag bieden om te concluderen dat zij inkomsten genoot uit haar kapsalonactiviteiten.
Hoewel appellante stelde dat zij alleen onbetaald stage liep en dat het Gerechtshof in haar strafzaak niet bewezen achtte dat zij opzettelijk had verzwegen, oordeelt de Raad dat de bestuursrechter niet gebonden is aan het strafrechtelijk oordeel en dat de inlichtingenplicht is geschonden. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en was intrekking en terugvordering terecht.
Verder oordeelt de Raad dat het college ten onrechte geen beslissing had genomen op verzoeken om vergoeding van kosten in bezwaar, waardoor deze besluiten worden vernietigd voor zover deze kostenvergoedingen betreffen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd wegens niet gemelde inkomsten, het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.