ECLI:NL:CRVB:2012:BW6402

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4969 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief beëindiging Ziektewetcontrole

Appellante maakte bezwaar tegen een brief van het UWV waarin werd meegedeeld dat de controle op haar Ziektewetuitkering werd beëindigd omdat zij hersteld was. Het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk, stellende dat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was en dat een eventueel bezwaar tegen het intrekkingsbesluit te laat was ingediend.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de brief slechts informatief was en geen rechtsgevolg had, en verwierp het beroep van appellante. In hoger beroep stelde appellante dat de brief wel een besluit was omdat het beëindigen van de controle nadelige rechtsgevolgen voor haar had.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de brief geen besluit is, maar een mededeling van informatieve aard. Het daadwerkelijke rechtsgevolg, de intrekking van de Ziektewetuitkering, volgt uit een ander besluit dat in rechte vaststaat. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de informatieve brief is niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de Ziektewetuitkering blijft in stand.

Uitspraak

11/4969 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2011, 10/6312 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 23 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Dayala, kantoorgenoot van mr. Mohamed Hoesein. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 29 oktober 2010 weer geschikt geacht voor haar arbeid, met als (rechts)gevolg dat zij per die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. In zijn brief van 26 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat bekend is dat zij met ingang van 29 oktober 2010 hersteld is en dat daarom de controle voor de ZW wordt beëindigd.
1.4. Appellante heeft bij brief van 9 november 2010 bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 oktober 2010 tot beëindiging van de controle per 29 oktober 2010. Bij besluit van 22 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de brief van 26 oktober 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat, voor zover het bezwaar gericht zou zijn tegen het besluit van 22 oktober 2010, het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen aanleiding bestaat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, LJN BJ9057, heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 26 oktober 2010 slechts een mededeling van informatieve aard bevat en niet gericht is op enig rechtsgevolg. Voor zover het bezwaar gericht geacht moet worden tegen het besluit van 22 oktober 2010 heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de bezwaartermijn is overschreden en voorts dat voor het aannemen van een verschoonbare termijnoverschrijding geen aanleiding bestaat, zodat het Uwv het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. In haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante (samengevat) aangevoerd dat de brief van 26 oktober 2010 wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is. Het rechtsgevolg van de brief is, naar het standpunt van appellante, gelegen in het beëindigen van de controle waarvan appellante nadelige effecten ondervindt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank. De brief van 26 oktober 2010 bevat slechts een mededeling van informatieve aard. Het daadwerkelijke rechtsgevolg dat appellante ondervindt, namelijk intrekking van de ZW uitkering per 29 oktober 2010 en het om die reden beëindigen van de controle voor de ZW volgt uit het besluit van 22 oktober 2010. Dit besluit staat echter, gelet op hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en welke overwegingen door de Raad worden onderschreven, in rechte vast. Hetgeen in hoger beroep door appellante is aangevoerd brengt de Raad niet tot een andersluidend oordeel.
4.2. Uit het gestelde in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) L. van Eijndthoven.
SG