ECLI:NL:CRVB:2012:BW6034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en structurele werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant vanaf 1 januari 2005 tot en met 15 juli 2009 structurele werkzaamheden verrichtte voor een bedrijf dat door zijn zuster was opgericht, zonder dit aan het college te melden.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was vanwege schending van de inlichtingenverplichting en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellanten voerden aan dat appellant slechts marginale werkzaamheden verrichtte en geen beloning ontving, maar konden dit niet aannemelijk maken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat de werkzaamheden als op geld waardeerbaar moesten worden aangemerkt en dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door dit niet te melden. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting door het verrichten van niet gemelde werkzaamheden.