ECLI:NL:CRVB:2012:BW4646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering en terugvordering na onderzoek werkzaamheden
Appellant ontving sinds april 2000 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het UWV in oktober 2008 een onderzoek naar vermeende werkzaamheden van appellant. Uit het onderzoek, inclusief een verklaring van appellant zelf, bleek dat hij vanaf juni 2007 huishoudelijke werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.
Het UWV verlaagde daarom per 1 juli 2007 de WAO-uitkering en vorderde het teveel betaalde bedrag van ruim €13.000 terug. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en niet onrechtmatig was, en dat appellant gehouden kon worden aan zijn verklaring.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de anonimiteit van de melding, vermeende schending van zijn privacy en druk bij zijn verklaring, en stelde dat hij nog volledig arbeidsongeschikt was. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht tot terugvordering overging en dat geen sprake was van ontoelaatbare handelingen of schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook de financiële problemen van appellant vormden geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de WAO-uitkering met terugvordering wordt bevestigd.