ECLI:NL:CRVB:2012:BV9437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- A.J. Schaap
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke beslistermijn bij aanvraag bijstand WWB en dwangsombeschikking
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en stelde het college in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Zij beriep zich op bijzondere omstandigheden die een kortere beslistermijn zouden rechtvaardigen. Het college stelde dat de wettelijke termijn van acht weken nog niet was verstreken en dat het niet tijdig beslissen niet aannemelijk was.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Awb een beslistermijn van acht weken voorschrijft en dat de WWB geen afwijkende termijn bevat. De Raad verwees naar de mogelijkheid van voorschotten en het indienen van klachten bij de voorzitter van gedeputeerde staten. Tevens werd meegewogen dat het college voldoende gegevens nodig heeft om te kunnen beslissen en dat appellante niet direct alle benodigde informatie aanleverde.
De Raad achtte onvoldoende aannemelijk dat op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een kortere termijn zou gelden. De dwangsombeschikking was terecht genomen en het college had binnen een redelijke termijn beslist. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het college binnen de wettelijke termijn van acht weken heeft beslist.