ECLI:NL:CRVB:2012:BV8639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging medeterugvordering WWB wegens onduidelijkheid gezamenlijke huishouding
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstandskosten die aan [H.] waren verstrekt over de periode van 29 mei 2003 tot en met 23 mei 2008, omdat het college stelde dat appellant en [H.] een gezamenlijke huishouding voerden en [H.] dit verzweeg. Het college beperkte later de terugvordering tot twee periodes binnen deze termijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen grotendeels in stand. Appellant stelde dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde met [H.]. De Raad oordeelde dat over twee periodes wel sprake was van gezamenlijke huishouding, maar dat dit niet aannemelijk was over de periode van 25 april 2007 tot en met 23 mei 2008.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de medeterugvordering over deze laatste periode betrof en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot medeterugvordering over de periode van 25 april 2007 tot en met 23 mei 2008 wordt vernietigd en het college krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen.