ECLI:NL:CRVB:2012:BV7972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek wettelijke rente over nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht
Appellante diende op 27 april 2005 een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot in november 2004. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag in eerste instantie voorlopig af vanwege onzekerheid over de verzekeringsstatus van de echtgenoot en startte een onderzoek in Groot-Brittannië. Pas in augustus 2007 werd de uitkering met terugwerkende kracht toegekend.
Appellante verzocht vervolgens om betaling van wettelijke rente over de periode van de nabetaling, maar dit werd afgewezen door de Svb. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond met als reden dat de Svb tijdig had gehandeld en dat de vertraging niet aan haar kon worden toegerekend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat een nieuwe aanvraag in mei 2006 was ingediend, waardoor een nieuwe beslistermijn kon worden gehanteerd. De Raad stelt vast dat de Svb pas in juni 2007 de termijnverlenging aan appellante heeft meegedeeld, wat te laat was. Daarom had de Svb uiterlijk eind juni 2005 een besluit moeten nemen, en is zij gehouden wettelijke rente te betalen vanaf 1 juli 2005.
De Raad vernietigt het eerdere besluit, verklaart het beroep gegrond, en bepaalt dat de Svb wettelijke rente moet vergoeden over de periode juli 2005 tot en met juli 2007. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank wettelijke rente moet betalen vanaf 1 juli 2005 over de met terugwerkende kracht toegekende nabestaandenuitkering.