het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 oktober 2010, 09/1020 (hierna: aangevallen uitspraak),
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 29 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 2 februari 2011 heeft de voorzieningenrechter van de Raad de voorziening getroffen dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
Bij brief van 21 maart 2011 heeft appellant vragen van de Raad beantwoord, waarop betrokkene bij brief van 3 oktober 2011 heeft gereageerd. Hierop heeft appellant bij brief van 27 oktober 2011 een reactie gegeven.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
1. Bij besluit van 20 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2009, heeft appellant de aanvraag van betrokkene voor een traplift afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 26 mei 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat aan betrokkene een traplift wordt verstrekt, appellant veroordeeld in de kosten van de procedure en bepaald dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht vergoedt.
3.1. Hangende het hoger beroep van appellant heeft betrokkene de aanvraag voor een traplift ingetrokken, omdat hij in een verpleeghuis is opgenomen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij het verzoek tot veroordeling van de gemeente Heerlen in de kosten van de procedure in beide instanties handhaaft.
3.2. Namens appellant is aangegeven dat betrokkene in geen enkel stuk heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten en dat appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, zodat artikel 21a van de Beroepswet niet van toepassing is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2006, LJN AV7610, ligt besloten dat slechts sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en aan het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
4.2. De Raad is van oordeel dat appellant niet over het vereiste procesbelang beschikt. Aangezien betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij niet langer een traplift wenst, hetgeen de Raad tevens opvat als het doen van afstand van de door de rechtbank toegekende traplift, kan een beoordeling van het door appellant in hoger beroep opgeworpen geschil voor appellant geen feitelijke betekenis meer hebben.
4.3. De Raad is van oordeel dat appellant eveneens geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, slechts met het doel de daarin gegeven proceskostenveroordeling ongedaan te maken. Appellant heeft immers niet de proceskostenveroordeling zelf aangevochten, maar alleen het inhoudelijk oordeel van de rechtbank, dat gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht niet bepalend is voor de vraag of appellant in de proceskosten zou zijn veroordeeld.
4.4. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens vervallen procesbelang.
5. De Raad ziet geen aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep, reeds niet omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
De Centrale Raad van Beroep;
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.