ECLI:NL:CRVB:2012:BV6352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet bewezen
Appellanten, voormalig gehuwd en samenwonend met drie kinderen, ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen trok de bijstand in en vorderde bedragen terug op grond van het standpunt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 1 januari 2009.
Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Arnhem, waarin werd geoordeeld dat sprake was van gezamenlijke huishouding, stelde de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep vast dat het college onvoldoende bewijs had geleverd voor deze conclusie. Hoewel appellant vaak overdag bij appellante was en er kleding en administratie van hem in haar woning werden aangetroffen, ontbrak bewijs dat hij daar zijn hoofdverblijf had, mede omdat hij op een ander adres stond ingeschreven en er geen huisbezoek aan dat adres was afgelegd.
De Raad vernietigde de besluiten tot intrekking en terugvordering van de bijstand, herroept eerdere besluiten en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en volledige bewijsvoering bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding in het kader van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs.