ECLI:NL:CRVB:2012:BV2541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag herzien
Betrokkene ontving sinds 1997 een WAO-uitkering wegens beperkingen door hepatitis-A en een post-trombotisch syndroom. In 2004 werd deze uitkering ingetrokken omdat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen, met name vanwege een urenbeperking en noodzaak tot afwisseling van houding.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij zich baseerde op adviezen van deskundigen die een maximale werkcapaciteit van vier uur per dag vaststelden. Het UWV stelde echter dat deze deskundigen de belastbaarheid onderschatten en dat hun oordelen onvoldoende waren onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke vaatchirurg die betrokkene onderzocht en concludeerde dat de beperkingen inderdaad groter zijn dan door het UWV aangenomen. De Raad volgt het oordeel van deze deskundige en oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende medische grondslag heeft. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken de medische grondslag te herzien en een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met het deskundigenoordeel.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen op basis van het deskundigenoordeel.