ECLI:NL:CRVB:2012:BV1260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over medische grondslag arbeidsongeschiktheid en handelingstempo
Betrokkene, werkzaam als pedagogisch medewerkster, viel in 1996 uit wegens depressieve klachten en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering werd in 2003 ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na meerdere ziekmeldingen en afwijzingen van uitkeringen door het UWV, werd uiteindelijk in 2010 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
De rechtbank oordeelde dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist was opgesteld en dat een beperking in handelingstempo niet noodzakelijk was. Betrokkene en het UWV gingen in hoger beroep tegen verschillende onderdelen van deze uitspraak. De Raad onderzocht de medische rapporten, waaronder die van psychiater Groenendijk, die stelde dat het werktempo van betrokkene door slaapklachten en laag energieniveau veel lager was, wat wijst op een permanente en aanzienlijke vertraging van het algehele handelen.
De Raad concludeerde dat de FML onvoldoende rekening hield met deze vertraging omdat alleen een beperking voor hoog handelingstempo was opgenomen, wat onvoldoende is. Daarom berusten de bestreden besluiten niet op een toereikende medische grondslag. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken dit gebrek te herstellen en de gevolgen voor het hoger beroep te onderzoeken.
Uitkomst: De Raad draagt het UWV op het gebrek in de medische grondslag van de bestreden besluiten te herstellen binnen zes weken.