ECLI:NL:CRVB:2012:BV1249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijzondere bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde zoon
Appellante, een bijstandsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor reiskosten naar haar gedetineerde zoon. Het College kende aanvankelijk bijstand toe op basis van één bezoek per maand en de goedkoopste reismogelijkheid. Na bezwaar werd een extra bedrag toegekend, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het College niet bevoegd was de aanvraag in te willigen.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding trad door de bevoegdheid van het College te betwisten, terwijl het College juist bijzondere bijstand had toegekend. De Raad vernietigde de uitspraak en beoordeelde zelf de zaak. De Raad oordeelde dat het College terecht een maximale bezoekfrequentie en forfaitaire vergoeding kan hanteren, maar dat appellante aannemelijk had gemaakt dat een hogere bezoekfrequentie noodzakelijk was vanwege de bijzondere omstandigheden van haar zoon.
De Raad stelde de bezoekfrequentie vast op één keer per week, gelet op de psychische problemen van de zoon en de nauwe moeder-zoonrelatie. De hoogte van de vergoeding per bezoek was volgens de Raad voldoende, omdat appellante gebruik kon maken van een voordeelkaart. Het besluit van het College was onvoldoende gemotiveerd en werd vernietigd. Het College moet een nieuw besluit nemen en werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het College moet een nieuw besluit nemen waarbij de bezoekfrequentie wordt vastgesteld op één keer per week en appellante krijgt proceskostenvergoeding.