ECLI:NL:CRVB:2011:BU9957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen feitelijk handelen UWV en vernietiging uitspraak rechtbank
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het UWV omdat hij meent recht te hebben op nabetaling van zijn WAO-uitkering over de periode van 2000 tot 2003. Het UWV had bij brief van 30 oktober 2009 medegedeeld dat uitvoering was gegeven aan het besluit van 18 juni 2008 door betaling aan een derde instantie, waarna appellant een bezwaarschrift indiende. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep omdat het verzoek om uitbetaling als feitelijk handelen werd aangemerkt, en niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzoek om uitbetaling inderdaad feitelijk handelen betreft en dat de brief van 30 oktober 2009 geen besluit is. Het bezwaarschrift tegen deze brief is daarom niet-ontvankelijk. Echter, het bezwaarschrift van appellant tegen de brief van 17 november 2009, waarin het UWV reageerde op het bezwaar, moet als een bezwaarschrift in de zin van de Awb worden gezien. Het UWV had dit bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar deed dat niet. De rechtbank heeft dit niet onderkend en zich ten onrechte onbevoegd verklaard.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 17 november 2009 gegrond en vernietigt dat besluit. Tevens verklaart de Raad het bezwaar tegen de brief van 30 oktober 2009 niet-ontvankelijk. De Raad ziet geen aanleiding om het UWV in de proceskosten te veroordelen, aangezien geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van het UWV gegrond.