ECLI:NL:CRVB:2011:BU9258

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-832 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ANWArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nabestaandenuitkering ANW wegens niet-verzekerd zijn echtgenoot in Marokko

Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot, die eveneens in Marokko woonde en een AOW-uitkering ontving. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW op het moment van overlijden.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de echtgenoot niet als verzekerde kon worden beschouwd omdat hij niet in Nederland woonde of werkte en ook niet viel onder de verzekeringskring volgens het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, noch onder het verdrag met Marokko. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ziek was en niet kon werken en overhandigde medische gegevens, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien tot het instellen van een gezondheidsonderzoek en de dwingendrechtelijke bepalingen van de ANW werden niet terzijde gesteld. De beslissing tot afwijzing van de nabestaandenuitkering bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De aanvraag nabestaandenuitkering op grond van de ANW wordt afgewezen omdat de echtgenoot niet verzekerd was op het moment van overlijden.

Uitspraak

11/832 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2010, 10/1764 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011.
Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is geboren in 1951 en woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren in 1943, is op 13 juli 2009 overleden. De echtgenoot was ten tijde van zijn overlijden woonachtig in Marokko en ontving een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Bij besluit van 11 september 2009 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 22 maart 2010 is het bezwaar van appellante tegen het besluit
van 11 september 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 22 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is geoordeeld dat appellante niet als nabestaande in de zin van de ANW moet worden aangemerkt, omdat haar echtgenoot op de dag van overlijden niet verzekerd is voor deze wet. De rechtbank heeft overwogen dat de echtgenoot niet verzekerd is op grond van artikel 13, eerste lid, van de ANW, omdat hij niet als ingezetene kan worden beschouwd. De rechtbank wijst erop dat de echtgenoot ten tijde van het overlijden niet in Nederland woonde of werkte. Overwogen is dat de echtgenoot niet als verzekerde ingevolge artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 kan worden beschouwd, nu dit artikel per 1 januari 2000 is vervallen. Aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko kan appellante evenmin verzekering voor de ANW ontlenen. De rechtbank is niet gebleken dat de echtgenoot gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren voor de ANW. Ten slotte is in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de omstandigheid dat appellante ziek is en niet kan werken geen bijzondere omstandigheid is die dwingendrechtelijke bepalingen van de ANW opzijzet.
3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat de echtgenoot een AOW-uitkering ontving en dat zij ziek is en niet kan werken. In hoger beroep heeft appellante medische gegevens overgelegd. Zij heeft verzocht om een onderzoek naar haar gezondheid.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad constateert dat appellante in hoger beroep heeft volstaan met het herhalen van bij de rechtbank ingebrachte beroepsgronden. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname bij de rechtbank, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan de rechtbank.
4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de beweerdelijke omstandigheid dat appellante ziek is en niet kan werken geen bijzondere omstandigheid is die de dwingendrechtelijke bepalingen van de ANW in dit geval opzij kan zetten. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens leiden niet tot een ander oordeel. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te bepalen dat een onderzoek naar de gezondheid van appellante zal plaatsvinden.
5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Raad:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.
(get.) J.P.M. Zeijen.
(get.) G.J. van Gendt.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
EK