ECLI:NL:CRVB:2011:BU9242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van alimentatie bij berekening aanvullende beurs studiefinanciering
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister waarbij bij de berekening van haar aanvullende beurs geen rekening werd gehouden met het inkomen van haar vader, maar wel met de vastgestelde alimentatie die hij aan haar moest betalen. Zij stelde dat de alimentatie oninbaar was en daarom niet meegeteld mocht worden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de alimentatie niet werd betaald of oninbaar was. In hoger beroep stelde appellante dat aan de conflict-eis van het Besluit Studiefinanciering 2000 was voldaan en dat daarom geen rekening gehouden mocht worden met de alimentatie.
De Raad overwoog dat het niet gaat om een volledige aanspraak op de aanvullende beurs, maar dat de mate van behoeftigheid mede wordt beperkt door de alimentatieverplichting. Appellante had niet overtuigend aangetoond dat de alimentatie niet werd betaald of oninbaar was. De ingediende stukken van de deurwaarder toonden juist aan dat de alimentatievorderingen voldaan waren.
Daarom is de Raad het met de rechtbank eens dat de Minister terecht rekening heeft gehouden met de vastgestelde alimentatie bij de berekening van de aanvullende beurs. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de alimentatie moet worden meegerekend bij de berekening van de aanvullende beurs omdat niet is aangetoond dat deze oninbaar is.