ECLI:NL:CRVB:2011:BU8640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering 2007 op grond van Wsf 2000
Appellante ontving in 2007 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en OV-studentenkaart. Na controle van haar bijverdiensten aan de hand van gegevens van de Belastingdienst stelde de Minister een vordering wegens meerinkomen vast van €2.348,27. Deze vordering was gebaseerd op artikel 3.17, zevende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 zoals die gold in 2007.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de vordering moest worden gebaseerd op de gewijzigde wetgeving per 2010, dat het toetsingsinkomen onjuist was vastgesteld en dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de bijverdienregeling. De Raad overwoog dat de wetgever geen overgangsrecht had gegeven voor de wijziging in 2010, zodat het toepasselijke recht het recht van het studiefinancieringstijdvak 2007 is. Het toetsingsinkomen was correct vastgesteld volgens het geldende wettelijke kader.
Verder oordeelde de Raad dat onvoldoende informatieverstrekking door de Minister geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel oplevert en dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden bij dwingendrechtelijke bepalingen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Verzoeken met betrekking tot latere jaren werden buiten beschouwing gelaten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering wegens meerinkomen over 2007 wordt bevestigd.