ECLI:NL:CRVB:2011:BU8634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsuitkering wegens ontbreken dienstverband bij faillissement
Appellante heeft een faillissementsuitkering aangevraagd na het faillissement van de BV waarvoor zij als verzorgster werkzaam was. Het UWV wees de aanvraag af omdat op het moment van het faillissement de arbeidsovereenkomst met de BV was geëindigd en zij feitelijk in dienst was van de directeur privé.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat zij geen dienstverband meer had met de BV bij het faillissement. In hoger beroep stelt appellante dat er feitelijk geen wijziging in haar arbeidsverhouding was en dat zij doorlopend werknemer van de BV was.
De Raad oordeelt dat voor een faillissementsuitkering vereist is dat de werknemer in dienst is van de werkgever op het moment van faillissement. Gezien de feitelijke situatie was appellante toen in dienst van de directeur privé en niet van de BV. Deze situatie voldoet niet aan de uitzonderingsbepaling in artikel 62 van Pro de WW. Daarom is het besluit van het UWV tot afwijzing terecht en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van de faillissementsuitkering wordt afgewezen omdat appellante niet in dienst was van de BV bij het faillissement.