ECLI:NL:CRVB:2011:BU8631

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2138 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 79 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen inhouding bijstandsuitkering en derdenbeslag

Appellante ontvangt sinds april 2009 bijstand en heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoudingen op haar uitkering over maart 2010, waaronder een bestuursrechtelijke zorgverzekeringspremie en beslaglegging door de gemeente.

Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, stellende dat de inhoudingen geen besluit in de zin van de Awb vormen. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de inhouding op de uitkering als een besluit moet worden beschouwd dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.

De Raad vernietigt het besluit van het College en verklaart het bezwaar ontvankelijk. Na inhoudelijke beoordeling oordeelt de Raad dat de inhoudingen, inclusief de beslaglegging en de bronheffing, rechtmatig zijn en verklaart het bezwaar ongegrond. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

De Raad benadrukt dat het College de juiste procedure heeft gevolgd door de beslagvrije voet te laten berekenen door de deurwaarder en dat het College niet bevoegd is de juistheid van het beslag te beoordelen. De uitkeringsspecificatie over maart 2010 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie over maart 2010 wordt ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond verklaard; het College wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

11/2138 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 maart 2011, 10/776 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld en een memorie aan de Raad gezonden.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt sinds 23 april 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.3. Bij besluit van 12 mei 2009 is aan appellante bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 2.137,96. Het aflossingsbedrag ter zake van deze lening is vastgesteld op € 54,-- per maand, welk bedrag met de uitkering wordt verrekend. Het College heeft deze verrekening vervolgens op de maandelijkse specificaties van de uitkering van appellante vermeld.
1.4. Vanaf september 2009 heeft het College, zo blijkt uit de desbetreffende uitkeringsspecificaties, tevens vanwege een onder de gemeente Hoogezand-Sappemeer gelegd beslag een bedrag van € 36,65 op de bijstand ingehouden.
1.5. Over de maand maart 2010 heeft het College, zo blijkt uit de specificatie van de uitkering van appellante over die maand, tevens een bedrag van € 105,17 ingehouden op de bijstand. Dit bedrag betreft de door het College voor zorgverzekeringen (CVZ) vastgestelde bestuursrechtelijke zorgverzekeringspremie (de bronheffing), nadat appellante als wanbetaler ter zake van die premie was aangemerkt.
1.6. Bij brief van 9 maart 2010 heeft het College aan gerechtsdeurwaarderkantoor AGC gevraagd de voor appellante geldende beslagvrije voet aan te passen. Daarbij heeft het College erop gewezen dat appellante zowel de bronheffing van 100% van de basispremie (door middel van inhouding op de uitkering) als de opslag van € 31,55 (rechtstreeks) aan CVZ moet betalen. Uit de uitkeringsspecificatie over de maand april 2010 kan worden afgeleid dat een aanpassing heeft plaatsgehad. Het beslag ten bedrage van € 36,65 is verlaagd naar € 7,88.
1.7. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de specificatie van haar uitkering over de maand maart 2010. Zij heeft aangevoerd, samengevat, dat zij door het totaal van de inhoudingen met haar inkomen onder de beslagvrije voet valt.
1.8. Bij besluit van 21 juni 2010, voor zover in dit geding van belang, heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat er met de inhouding van de bestuursrechtelijke premie van € 105,17 geen wijziging komt in de hoogte van de bijstandsuitkering van appellante, omdat het hier gaat om de reguliere maandpremie voor de zorgverzekering. Daarom is volgens het College geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 juni 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat, voor zover het gaat om de op de specificatie vermelde inhouding van € 54,--, geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat deze inhouding al eerder was vastgesteld en derhalve geen sprake is van een op rechtsgevolg gerichte beslissing, en voorts dat de op de specificatie voorkomende bedragen ter zake van gelegd beslag en bronheffing geen publiekrechtelijke rechtshandelingen inhouden.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De inhouding op de uitkering over de maand maart 2010 moet worden aangemerkt als een handeling die afwijkt van een besluit inzake de verlening van bijstand als bedoeld in artikel 79 van Pro de WWB. De Raad merkt daarbij op dat in het onderhavige geval in de betaling van de uitkering over de maand maart 2010 ten opzichte van de maand februari 2010 zowel wat betreft de hoogte van de totale inhouding als wat betreft de samenstelling van de inhouding wijziging is opgetreden. Een en ander is het gevolg van de inhouding ten behoeve van het CVZ. Een dergelijke handeling wordt ingevolge artikel 79 van Pro de WWB gelijkgesteld met een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is. Daaraan doet niet af dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, tegen de vaststelling van een bestuursrechtelijke premie voor de zorgverzekering geen beroep kan worden ingesteld omdat een dergelijk besluit op de zogenoemde negatieve lijst van de Awb staat. De vaststelling van die premie door het CVZ is hier immers als zodanig niet aan de orde. Evenmin doet daaraan af - voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een ontvankelijk bezwaar - dat het hier gaat om een premie die appellante toch moet betalen zodat er feitelijk geen verandering komt in het besteedbare inkomen (op bijstandsniveau) van appellante.
4.2. De Raad is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Aangezien de rechtbank dat niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 juni 2010 vernietigen wegens strijd met de wet.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank of het College op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante, aangezien er voldoende gegevens voorhanden zijn om de zaak inhoudelijk te kunnen beoordelen. De inhoudelijke kant van de zaak is ter zitting van de Raad met partijen ook besproken. De Raad zal derhalve het bezwaar tegen de specificatie van de uitkering van appellante over de maand maart 2010 beoordelen.
4.3.1. De inhouding van de bedragen van € 36,65 en € 54,-- vond al plaats in de maand februari 2010. In de maand maart 2010 is daarbij gekomen de inhouding van de bestuursrechtelijke premie zorgverzekering. Omdat het hier gaat om een bijstandsgerechtigde, bestaat deze inhouding van de bestuursrechtelijke premie slechts uit het bedrag gelijk aan 100% van de basispremie (de bronheffing) en niet uit de volledige bestuursrechtelijke premie van 130% van de basispremie. Aangezien bij de vaststelling van de hoogte van de bijstandsnorm rekening is gehouden met een bedrag aan premie voor zorgkosten en in aanmerking genomen de aanspraak van appellante op zorgtoeslag, behoefde de inhouding ter zake van de bronheffing met ingang van maart 2010 het College niet aanstonds te leiden tot het oordeel dat appellante niet langer beschikte over een inkomen ter grootte van de voor haar geldende beslagvrije voet. Het College was in dat kader overigens niet bevoegd de juistheid van de bronheffing te beoordelen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 december 2010, LJN BO9009, overweegt de Raad dat het College voorts volledige medewerking moest blijven geven aan het onder haar gelegde derdenbeslag, waarbij het niet de omvang en de juistheid van dat beslag mocht beoordelen. Appellante heeft ook onderkend, zo blijkt uit haar bezwaarschrift, dat zij zich ter zake van (de hoogte van) dat beslag tot de deurwaarder diende te wenden. De Raad stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College bij de inhouding van € 36,63 is gebleven binnen de grenzen van het door de deurwaarder op de uitkering van appellante gelegde beslag. Naar het oordeel van de Raad heeft het College dan ook de juiste weg bewandeld door (eerst) aan de deurwaarder te vragen om een nadere berekening van de beslagvrije voet te maken en de beslagruimte vast te stellen. Dat heeft ertoe geleid, zo blijkt uit onderdeel 1.6, dat de hoogte van het bedrag van het derdenbeslag reeds in de maand april 2010 is aangepast.
4.3.2. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de uitbetaling van de bijstand aan appellante volgens de uitkeringsspecificatie van maart 2010 stand kan houden. De Raad zal het bezwaar tegen die specificatie ongegrond verklaren.
5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 juni 2010;
Verklaart het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie over de maand maart 2010 ongegrond;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M.C. Nijholt.
HD