ECLI:NL:CRVB:2011:BU8224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellant, werkgever, werd door het Uwv een loonsanctie van 52 weken opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor één voor een zieke werknemer. Het Uwv verlengde de loondoorbetalingsperiode met 52 weken omdat appellant onvoldoende had onderzocht of passend werk binnen het eigen bedrijf mogelijk was.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de werknemer ongeschikt was voor eigen werk en dat terugkeer schadelijk zou zijn. Tevens stelde appellant dat de loonsanctie op maat moest worden opgelegd en dat de duur van 52 weken buitenproportioneel was. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij appellant ligt en dat de loonsanctie conform de wet maximaal 52 weken kan duren.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende inspanningen had verricht om passend werk binnen het eigen bedrijf te vinden, mede gelet op het lange dienstverband en de leeftijd van de werknemer. De bezwaren van appellant werden niet gegrond bevonden, en het besluit tot oplegging van de loonsanctie werd bevestigd. Ook de procedure werd als zorgvuldig beoordeeld, waarbij appellant tijdens de hoorzitting zijn standpunten kon toelichten.
De uitspraak bevestigt dat de wettelijke regeling omtrent loonsancties niet voorziet in een maatwerktoepassing van de duur, maar een maximale periode van 52 weken kent, afhankelijk van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. Het verzoek tot bekorting van de loonsanctie door appellant was eerder afgewezen en onherroepelijk geworden.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellant wordt bevestigd.