ECLI:NL:CRVB:2011:BU6605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die een loonsanctie tegen betrokkene wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vernietigde.
Appellant had de loondoorbetalingsverplichting van betrokkene met 52 weken verlengd omdat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, gebaseerd op artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De rechtbank oordeelde dat betrokkene niet tekort was geschoten, mede omdat betrokkene snel en adequaat had gehandeld nadat duidelijk werd dat werkneemster niet volledig kon hervatten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter anders en stelt vast dat de bedrijfsarts te laat heeft vastgesteld dat werkneemster niet meer geschikt was voor haar eigen werk, waardoor betrokkene te laat is gestart met re-integratie in een andere functie of bij een andere werkgever. De Raad benadrukt het belang van het 'opschudmoment' bij de eerstejaarsevaluatie en concludeert dat betrokkene tekort is geschoten zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben.
Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de loonsanctie gehandhaafd blijft. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt gehandhaafd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.