ECLI:NL:CRVB:2011:BU4713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over vermogen
Appellanten ontvingen van 1990 tot 2007 bijstand en gaven aan een woning te huren op een adres te Vlaardingen. Na een fraudemelding in 2007 startte de gemeente een onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden in de bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellanten mede-eigenaar waren van een woonwinkelpand en hierover geen informatie hadden verstrekt aan het College. Ook werd geen inzicht gegeven in de inkomsten uit verhuur van de bovenwoning en exploitatie van het winkelgedeelte.
Het College trok de bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de periode 1997-2007 in en vorderde deze terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens hadden overgelegd om aan te tonen dat zij recht hadden op bijstand gedurende de betwiste periode.
De Raad benadrukte dat de mede-eigendom en de exploitatiegegevens van het woonwinkelpand essentieel zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het enkele feit dat appellanten later documenten overlegden, was onvoldoende om de schending van de inlichtingenverplichting te compenseren. Ook het beroep op een gerechtelijke procedure over eigendom en vorderingen bood geen voldoende duidelijkheid over het vermogen.
Daarom was het College bevoegd om de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om appellanten in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellanten wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.