ECLI:NL:CRVB:2011:BU1967

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5084 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 17 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenWet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis)
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling dagloon WW-uitkering ondanks verschil met ZW-dagloon

Appellant was tot 5 november 2007 werkzaam bij werkgever 1 en daarna bij werkgever 2. Hij vroeg op 2 maart 2009 een WW-uitkering aan omdat hij bij werkgever 2 minder uren kon werken. Het UWV stelde het dagloon vast op €57,70, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De Raad overwoog dat artikel 17 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen niet leidt tot een hoger dagloon dan vastgesteld. De vergelijking met het ZW-dagloon gaat niet op omdat de referteperiode voor de ZW anders was. Ook het beroep op artikel 15 faalde Pro omdat er geen opeenvolgende urenverlies binnen dezelfde dienstbetrekking was.

De Raad benadrukte dat het dagloon gebaseerd moet zijn op het historisch premieloon over de referteperiode, conform de vereenvoudigde dagloonregels ingevoerd met de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis). Omdat appellant in de referteperiode alleen bij werkgever 2 werkte, is het dagloon correct vastgesteld op basis van dat dienstverband.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld op €57,70 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/5084 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juli 2010, 09/945 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meeuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meeuwissen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.H.G. Boelen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is tot 5 november 2007 werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur bij [werkgever 1] gedurende 40 uren per week. Aansluitend is hij in dienst getreden bij [werkgever 2], eveneens voor 40 uren per week.
1.2. Op 2 maart 2009 heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd omdat hij bij [werkgever 2] nog maar 17 uren per week kon werken.
1.3. Bij besluit van 19 maart 2009 is hem ingaande 2 maart 2009 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een dagloon van € 57,70 per week.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 28 mei 2009 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 17 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) niet leidt tot een hoger dagloon dan het vastgestelde dagloon. Het dagloon is dan ook juist vastgesteld.
3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat artikel 17 van Pro het Besluit wel leidt tot een hoger dagloon. Voorts is aangevoerd dat artikel 15 moet Pro worden toegepast. Appellant is verder van mening dat niet het volledige inkomen over de referteperiode is meegenomen. Uitgangspunt moet zijn het inkomen van zijn laatste vaste dienstbetrekking bij [werkgever 1]. Hij stelt zich op het standpunt dat het WW-dagloon hetzelfde moet zijn als het dagloon, waarop zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is gebaseerd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot toepassing van artikel 17 van Pro het Besluit bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak met juistheid gemotiveerd waarom toepassing van artikel 17 niet Pro leidt tot een hoger dagloon dan € 57,70. De vergelijking van appellant met zijn
ZW-dagloon gaat niet op, reeds omdat voor de ZW is uitgegaan van een andere referteperiode.
4.3. Het beroep op artikel 15 van Pro het Besluit slaagt evenmin aangezien niet is aangetoond dat sprake is van opeenvolgende verliezen van arbeidsuren binnen het refertejaar uit dezelfde dienstbetrekking.
4.4.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat uitgangspunt moet zijn het bij [werkgever 1] verdiende inkomen en dat niet het volledige inkomen bij de berekening van het dagloon is meegenomen overweegt de Raad als volgt.
4.4.2. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) en in het bijzonder paragraaf 4.3. ‘de dagloonsystematiek’ (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, nr. 3, blz. 58 e.v.) heeft een al langer levend besef, dat vereenvoudiging van de dagloonregels noodzakelijk was, gestalte gekregen. De met deze wet beoogde vereenvoudiging heeft geleid tot een nieuwe dagloonregeling met de volgende uitgangspunten:
• de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover premies worden geheven;
• het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten loon (historisch dagloon);
• voor de verschillende wetten gelden zo uniform mogelijke regels en
• de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te stellen, objectieve gegevens.
Door middel van Walvis heeft de wetgever dientengevolge in die zin een wijziging in de dagloonsystematiek aangebracht dat het dagloon in het vervolg gebaseerd moet worden op het historisch dagloon. Gelet op de keuze voor het uitgangspunt dat het premieloon gelijk is aan het uitkeringsloon, is het logisch dat het dagloon niet langer zal worden gebaseerd op toekomstig loon, maar op hetgeen in een periode in het verleden is genoten (historisch dagloon). De verschuldigde premie wordt immers betaald over het feitelijk door de werknemer genoten loon.
4.4.3. De referteperiode liep in dit geval van 22 februari 2008 tot 22 februari 2009. In die periode heeft appellant niet gewerkt voor [werkgever 1], maar enkel voor [werkgever 2]. Uit de overgelegde stukken, met name de opgave loongegevens WW, blijkt dat het gehele premieloon uit dat dienstverband is meegenomen. Het dagloon is dan ook op juiste wijze vastgesteld.
5. Het hoger beroep slaagt niet.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.G.M. van Rijnberk als leden in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) E. Heemsbergen.
GdJ