ECLI:NL:CRVB:2011:BT7649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Betrokkene en [J.] stonden sinds 1998 op hetzelfde adres ingeschreven. De gemeente Ede onderzocht of zij een gezamenlijke huishouding voerden, wat gevolgen had voor de rechtmatigheid van de bijstandsverlening aan [J.]. Na onderzoek, waaronder huisbezoeken en financiële analyse, concludeerde de gemeente dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trok zij de bijstand aan [J.] met terugwerkende kracht in, met terugvordering van de kosten.
De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit omdat onvoldoende was vastgesteld dat sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. De gemeente ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde of er sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, WWB, waarbij objectieve criteria gelden.
Uit de feiten bleek dat betrokkene en [J.] weliswaar samenwoonden, maar dat de mate van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg doorslaggevend was. De Raad vond voldoende aanwijzingen voor financiële verstrengeling, zoals leningen zonder concrete afspraken, gezamenlijke aflossingen en gedeelde kosten, die duiden op een gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van de gemeente ongegrond. Daarmee werd bevestigd dat de terugvordering van bijstand terecht was. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding.