ECLI:NL:CRVB:2011:BR5740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloosheid na lichtvaardig ontslag
Appellante was sinds mei 2006 in dienst bij een werkgever en werkte vanaf mei 2007 bij een inlener. Op 4 december 2008 nam zij ontslag met ingang van 4 januari 2009 en vroeg zij een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos was, aangezien zij haar dienstverband zonder dringende reden had beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de uitspraak in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat zij geen verwijt viel te maken. Zij had ontslag genomen omdat zij dacht dat de inlener zou verhuizen en er geen werk meer voor haar zou zijn. Tevens volgde zij een opleiding met stagevergoeding, met uitzicht op een vaste baan, maar slaagde niet voor het assessment.
De Raad oordeelde dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd, omdat er geen zekerheid was over een baan voor minimaal een half jaar en geen sprake was van een verhuizing die haar werk onmogelijk maakte. Het lichtvaardig ontslag was haar te verwijten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens verwijtbaar werkloosheid.