ECLI:NL:CRVB:2011:BR5623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over vermogen
Appellante ontving sinds 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding van een uitzendbureau over niet opgegeven bankrekeningen, stelde de Bestuurscommissie een onderzoek in waaruit bleek dat appellante meerdere bankrekeningen bezat die niet waren gemeld. De bijstand werd per 1 december 2008 beëindigd en later met terugwerkende kracht ingetrokken over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 november 2008, met terugvordering van € 9.335,89.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, omdat appellante beschikte over een vermogen boven de vrij te laten grens. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de tegoeden op de bankrekeningen toebehoorden aan haar ex-echtgenoot en dat zij niet beschikkingsbevoegd was over deze gelden.
De Raad stelde vast dat de rechtbank haar oordeel niet op de juiste grondslag had gebaseerd en vernietigde de uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante haar stelling onvoldoende had onderbouwd met objectieve gegevens en dat de schending van de inlichtingenverplichting ertoe leidt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De intrekking van de bijstand over de betreffende periode is daarom terecht. De Raad veroordeelde het Drechtstedenbestuur in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstand wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.