ECLI:NL:CRVB:2011:BR4784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overneming pensioenpremie door UWV na faillissement werkgever
Appellant was sinds 1 januari 2006 werkzaam bij een werkgever die een pensioenvoorziening had getroffen bij Centraal Beheer Achmea (CBA). De werkgever betaalde echter niet de pensioenpremies aan CBA, terwijl wel werknemersbijdragen werden ingehouden. Op 1 mei 2007 trad appellant in dienst bij een andere werkgever die de pensioenvoorziening voortzette en zich verplichtte de achterstallige premies over de periode van 1 januari 2006 tot 30 april 2007 in termijnen te voldoen. Deze werkgever is echter failliet verklaard op 27 mei 2008, waarna appellant ontslag kreeg.
Het UWV kende appellant een uitkering toe op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens niet betaalde loon en pensioenpremies. Het UWV weigerde echter de pensioenpremies over de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2007 over te nemen, omdat deze buiten het refertejaar vielen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 64 WW Pro de overnemingsplicht van het UWV beperkt is tot bedragen die betrekking hebben op het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van opzegging. De pensioenpremies over de periode vóór het refertejaar kunnen niet worden toegerekend aan dat jaar en vallen daarom niet onder de overnemingsverplichting. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV is niet verplicht pensioenpremies over de periode vóór het refertejaar over te nemen.