ECLI:NL:CRVB:2011:BR4356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering na criminele activiteiten zonder afzien van terugvordering
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam inzake de herziening en terugvordering van bijstandsuitkeringen. Na een eerdere tussenuitspraak heeft het College het oorspronkelijke besluit van 3 juli 2007 herzien door de terugvordering te beperken tot de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2006 en het bedrag aan terug te vorderen bijstand te verlagen.
Appellant voerde aan dat bijzondere omstandigheden en dringende redenen aanwezig waren om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, onder meer vanwege zijn lichte verstandelijke beperking, psychische spanningen, en de financiële situatie van zijn gezin dat in Marokko woont. Hij stelde dat de terugvordering een dubbele bestraffing vormde omdat hij al een gevangenisstraf had ondergaan.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering over de genoemde periode en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen bijzondere of dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien. De Raad benadrukte dat terugvordering geen punitief karakter heeft en wees het beroep tegen het nieuwe besluit van 16 februari 2011 af. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit werd gegrond verklaard en vernietigd wegens strijd met wettelijke bepalingen.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellant en wees het beroep tegen het nieuwe besluit af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 augustus 2011.
Uitkomst: Het oorspronkelijke besluit tot terugvordering wordt vernietigd, het nieuwe besluit wordt gehandhaafd en het beroep daarop ongegrond verklaard.