ECLI:NL:CRVB:2013:2645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte verleende IOAZ-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant had een IOAZ-uitkering ontvangen over de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008, die door het college was ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Het college vorderde vervolgens het ten onrechte ontvangen bedrag van €37.002,75 terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat het terugvorderingsbeleid onredelijk en punitief was en in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat de intrekking van de uitkering in rechte vaststaat en dat het college op grond van artikel 25 IOAZ Pro bevoegd is tot terugvordering. Het beleid van het college, waarbij alleen bij dringende redenen wordt afgezien van terugvordering, wordt als een redelijke beleidsbepaling gezien en is niet strijdig met de WWB of het EVRM.
Verder achtte de Raad de persoonlijke en financiële situatie van appellant onvoldoende zwaarwegend om van terugvordering af te zien. Appellant ontvangt een AOW-uitkering en verricht daarnaast nog zelfstandige werkzaamheden. De terugvordering moet zodanig worden uitgevoerd dat het inkomen van appellant niet onder de beslagvrije voet daalt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van de ten onrechte verleende IOAZ-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.