op de hoger beroepen van:
[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 juni 2009, 09/78 en 09/79 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 juli 2011
Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroepen ingesteld en een nader stuk ingezonden.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 juli 2011, waar partijen - appellanten met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellanten hebben, ieder voor zich, een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor verhuiskosten. Bij afzonderlijke besluiten van 29 juli 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 11 december 2008, heeft het College deze aanvragen afgewezen onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de WWB.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 11 december 2008 ongegrond verklaard. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van appellante tegen het aan haar gerichte besluit van 11 december 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, appellante voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de tekst van artikel 35, eerste lid, van de WWB wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad is van oordeel dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2. De Raad stelt vast dat appellanten tot op heden niet zijn verhuisd en dat de kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben gevraagd zich dus in ieder geval ten tijde hier van belang niet hebben voorgedaan. Uit de gedingstukken blijkt niet anders dan dat destijds sprake was van een - niet nader geconcretiseerd voornemen - om naar elders te verhuizen. Reeds om die reden hebben appellanten geen recht op bijzondere bijstand voor verhuiskosten. De hoger beroepen slagen dan ook niet.
4.3. Nu de rechtbank hetgeen onder 4.2 is overwogen niet heeft onderkend, zal de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigen met verbetering van gronden.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2011.