ECLI:NL:CRVB:2011:BR2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen boven vermogensgrens
Appellant ontving sinds 1995 bijstand en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over meerdere periodes wegens het bezit van onroerend goed in Marokko met een waarde van circa €85.000, wat boven de vermogensgrens viel.
De Raad oordeelde dat appellant gedurende de periode van 1 november 2007 tot en met 30 april 2008 beschikte over vermogen boven de grens en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het onroerend goed niet tot zijn vermogen behoorde. Tevens werd vastgesteld dat de verkoop van het onroerend goed aan [F.] niet rechtsgeldig was zonder inschrijving in het kadaster en dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door geen bankafschriften te overleggen.
De Raad vernietigde het besluit van de rechtbank voor het gedeelte betreffende de periode van 2 mei 2008 tot en met 8 juli 2008 omdat het College ten onrechte de aanvraag van appellant had afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro. Voor de overige perioden werd het beroep afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 juli 2011.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd, behalve voor de periode 2 mei tot en met 8 juli 2008 waarvoor het besluit wordt vernietigd.