ECLI:NL:CRVB:2011:BR1535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering na ontslag op staande voet wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant werd op 18 juni 2009 ontslagen op staande voet wegens een gestelde diefstal of verduistering bij zijn werkgever. Op 2 juli 2009 weigerde het Uwv de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant diende op 11 september 2009 een herhaalde aanvraag in, verwijzend naar een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter van 9 september 2009 die het dienstverband beëindigde.
Het Uwv handhaafde de weigering bij besluit van 8 oktober 2009 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 7 december 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de ontbindingsbeschikking geen nieuw feit of veranderde omstandigheden opleverde, maar slechts een andere waardering van reeds bekende feiten was.
In hoger beroep betoogde appellant dat de ontbindingsbeschikking wel een nieuw feit vormde en verwees naar een sepot van de officier van justitie en het wegvallen van beperkingen voor werk in de beveiligingsbranche. De Raad oordeelde dat deze feiten pas na het bestreden besluit bekend werden en niet aan de herhaalde aanvraag ten grondslag lagen. De strafrechtelijke beoordeling van het sepot is niet gelijk aan de bestuursrechtelijke beoordeling van verwijtbare werkloosheid.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat het Uwv niet onredelijk heeft gehandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en wijst het hoger beroep af.