ECLI:NL:CRVB:2011:BR0624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en re-integratievisie met procesbelang
Appellant ontving een WAO-uitkering wegens knieklachten en meldde zich in 2007 toegenomen arbeidsongeschikt. Het UWV herzag de uitkering per 2 februari 2009 naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en stelde een re-integratievisie vast. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, die werden afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van de herziening en de re-integratievisie. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen en opleidingsniveau onjuist waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de medische beperkingen en functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld, ook rekening houdend met artrose en de mogelijkheid tot onderbroken zitten. De arbeidskundige beoordeling van geschikte functies werd bevestigd, waarbij appellant voldeed aan het vereiste opleidingsniveau. Het hoger beroep tegen de herziening van de WAO-uitkering werd daarom verworpen.
Ten aanzien van de re-integratievisie stelde de Raad vast dat appellant geen procesbelang had omdat het hoger beroep geen gunstiger resultaat kon opleveren. De vermelding van een mogelijk onjuist maatmaninkomen in de re-integratievisie gaf geen recht op een uitspraak, omdat bezwaar tegen toekomstige herbeoordelingen mogelijk blijft.
Het hoger beroep tegen de re-integratievisie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep tegen het besluit over de re-integratievisie en het re-integratieplan van 2009 werd eveneens verworpen. De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Herziening WAO-uitkering bevestigd; hoger beroep tegen re-integratievisie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.