ECLI:NL:CRVB:2011:BR0594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW-pensioen bij gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die het bezwaar tegen de toekenning van een AOW-pensioen ongegrond verklaarde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had in 2007 een AOW-pensioen toegekend aan appellant op grond van een gezamenlijke huishouding met een persoon van 65 jaar of ouder.
Appellant betwistte dat sprake was van wederzijdse zorg en stelde dat de relatie puur commercieel was zonder financiële verstrengeling. De Raad oordeelde dat appellant en de medebewoner wel degelijk een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij appellant zorg verleent zoals vervoer naar huisarts en ziekenhuis, hulp bij boodschappen en beheer van bankzaken. Dit vormde voldoende wederzijdse zorg, ook al was de zorg niet gelijkwaardig van aard of omvang.
De Raad vond dat de Svb in eerste instantie had moeten onderzoeken of de situatie nog actueel was, maar dat dit gebrek in de bezwaarprocedure was hersteld doordat appellant de gelegenheid had gekregen relevante feiten aan te voeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van het AOW-pensioen op grond van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.