ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet tijdig besluit bijstand en kostenvergoeding
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om bijstand. Het College verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en stelde dat appellant geen procesbelang meer had omdat de bijstand inmiddels was toegekend.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel degelijk procesbelang was, namelijk de vergoeding van de kosten van het bezwaar, omdat het College impliciet erkende dat de aanvraag om bijstand reeds op 23 april 2008 was ingediend. De Raad oordeelde dat het procesbelang niet verloren was gegaan door de latere beslissing en dat het verzoek om vergoeding van kosten alleen kan worden ingewilligd als is vastgesteld dat verwijtbaar onrechtmatig te laat is beslist.
De Raad stelde vast dat, ondanks de eerste melding op 23 april 2008, de daadwerkelijke aanvraag pas op 1 juli 2008 was ingediend, mede door toedoen van appellant. Hierdoor was de beslistermijn ten tijde van het bezwaar nog niet verstreken en was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het College wel tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, vastgesteld op een lichtwegingsfactor van 0,25, en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard; het College wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht vergoed.