ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5764

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4809 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens procedurefout en toekenning proceskosten

Appellant stelde beroep in tegen een beslissing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank Haarlem wees dit verzoek af, stellende dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:75a Awb omdat geen sprake was van tegemoetkoming door de Minister.

In hoger beroep stelde appellant dat er wel degelijk tegemoetkoming was geweest. De Centrale Raad van Beroep constateerde echter dat de rechtbank een procedurefout had gemaakt door appellant niet opnieuw om toestemming te vragen voor het afdoen van de zaak buiten zitting nadat de Minister had gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding.

Hierdoor was de uitspraak van de rechtbank in strijd met artikel 8:57 Awb Pro tot stand gekomen en kwam vernietiging van die uitspraak voor. De Raad veroordeelde de Minister vervolgens in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht door de Minister vergoed moest worden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de Minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

10/4809 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juli 2010, 10/826 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 20 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Jagersma, advocaat te Bilthoven, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft daarop gereageerd.
Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellant om zijn proceskosten te vergoeden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is voldaan omdat geen sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door de Minister aan de bezwaren van appellant.
2. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat zowel formeel als materieel bezien is tegemoetgekomen aan zijn bezwaren.
3.1. De Raad overweegt - ambtshalve - als volgt.
3.2. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak niet op een juiste wijze tot stand is gekomen. Appellant heeft bij schrijven van 2 juni 2010 het beroep bij de rechtbank ingetrokken en daarbij verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming om zonder zitting op dit verzoek te beslissen. Appellant heeft deze toestemming op 14 juni 2010 verleend. De Minister heeft op 15 juni 2010 op het verzoek om proceskostenvergoeding gereageerd en op 17 juni 2010 bedoelde toestemming verleend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechtbank verzuimd aan appellant opnieuw - nadat hij had kennis genomen van de reactie van de Minister van 15 juni 2010 - toestemming te vragen voor het afdoen van de zaak buiten zitting. De aangevallen uitspraak is dan ook in strijd met artikel 8:57 van Pro de Awb tot stand gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
3.3. Reeds gelet op hetgeen in 3.2 is overwogen bestaat er aanleiding de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. De Raad behoeft dan ook geen oordeel meer te geven omtrent de materiële kant van de zaak.
4. De proceskosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 874,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,--;
Bepaalt dat de Minister aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2011.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) N.S.A. El Hana.
NW