ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkeringen wegens gefingeerd dienstverband
Appellante was ziek gemeld bij haar werkgever en ontving Ziektewet- en Werkloosheidswet-uitkeringen. Het UWV concludeerde na onderzoek dat er geen daadwerkelijk dienstverband bestond en dat appellante geen loon had ontvangen over de opgegeven periode.
Appellante voerde aan dat zij wel had gewerkt en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, met name naar werkzaamheden bij inleners. Zij wees ook op haar vrijspraak in een strafzaak. De Raad stelde vast dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan, waaronder verklaringen van betrokkenen en opsporingsambtenaren. De verklaringen waren inconsistent en boden onvoldoende bewijs voor een dienstverband.
De Raad oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en dat de herziening en terugvordering van de uitkeringen terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen bevestigd.