ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4583

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2989 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 36 WWB
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot terugkomen op besluit langdurigheidstoeslag bij geen nieuwe feiten

Appellant had bij het College van burgemeester en wethouders van Arnhem een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de WWB, welke op 13 december 2007 werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de inkomenseis van een ononderbroken periode van 60 maanden met een inkomen niet hoger dan de bijstandsnorm.

Appellant verzocht vervolgens op 24 april 2008 het College terug te komen op dit besluit, stellende dat de inkomsten uit arbeid in september 2005 inmiddels waren verrekend met de bijstandsuitkering, waardoor hij wel aan de inkomenseis zou voldoen. Het College wees dit verzoek af, omdat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het verzoek af te wijzen, aangezien de terugvordering van bijstand al was voldaan vóór het oorspronkelijke besluit en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die heroverweging rechtvaardigden.

De Raad zag geen aanleiding tot toewijzing van proceskosten en sprak de beslissing uit in het openbaar op 10 mei 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om terug te komen op het besluit wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

09/2989 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 april 2009, 08/4862 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 5 september 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de maand september 2005 herzien in verband met de door hem verzwegen inkomsten uit arbeid en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 191,48 van appellant teruggevorderd.
1.2. Op 27 september 2007 heeft appellant een aanvraag om langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 13 december 2007 heeft het College op deze aanvraag afwijzend beslist. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan de bijstandsnorm. In verband met de inkomsten uit arbeid en de ontvangen bijstand in september 2005 heeft appellant in die maand een inkomen gehad dat hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm en voldoet hij om die reden niet aan de voorwaarde van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
1.3. Bij brief van 24 april 2008 heeft appellant het College verzocht terug te komen van het besluit van 13 december 2007. Bij besluit van 25 april 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2008, heeft het College afwijzend beslist op dit verzoek. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
10 oktober 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beslissing een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Artikel 4:6 Awb Pro is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als het onderhavige.
4.2. Bij zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat de inkomsten uit arbeid in de maand september 2005 inmiddels zijn gekort op de bijstandsuitkering, althans zijn terugbetaald aan het College en dat daardoor het inkomen van appellant in de betreffende periode van 60 maanden niet hoger is geweest dan de bijstandsnorm. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. Uit de informatie van de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad is gebleken dat de terugvordering van bijstand tot het bedrag van € 191,48 is voldaan door middel van inhouding op de bijstandsuitkering van appellant en dat in mei 2007 de laatste termijn is afgelost, hetgeen appellant aan de hand van de verstrekte uitkeringsspecificaties heeft kunnen onderkennen. Derhalve was ten tijde van het besluit van
13 december 2007 de aflossing van genoemd bedrag al geruime tijd voltooid en berustte het verzoek van
24 april 2008 niet op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
4.3. Het College was dan ook bevoegd met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2011.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J. van Dam.
HD