ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding en toetsing herhaalde aanvraag
Betrokkene heeft meerdere aanvragen ingediend voor een IOAW-uitkering met ingang van 1 juli 2007, welke door appellant zijn afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het niet kunnen vaststellen van het recht op uitkering voor een alleenstaande, mede omdat betrokkene en mevrouw [v.H.] een gezamenlijke huishouding zouden voeren.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd omdat zij het toetsingskader te beperkt vond en onvoldoende feitelijke grondslag zag voor de gezamenlijke huishouding. In hoger beroep heeft de Raad het oordeel van de rechtbank herzien en geoordeeld dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene en mevrouw [v.H.] gedurende de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, waarnemingen, e-mailcorrespondentie en de inhoud van een huurovereenkomst.
De Raad bevestigt dat voor de eerste periode (1 juli tot 25 juli 2007) geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die herziening van het eerdere besluit rechtvaardigen. Voor de tweede periode (vanaf 26 juli 2007) is vastgesteld dat de gezamenlijke huishouding bestaat, waardoor de afwijzing van de aanvraag naar de norm van een alleenstaande terecht is. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de totale procedure binnen de vier jaar is afgerond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de IOAW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.