ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op WGA-uitkering met voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant heeft op 2 februari 2009 een WGA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde bij besluit van 22 april 2009 vast dat appellant recht heeft op een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Dit besluit werd bij bezwaar van 23 oktober 2009 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslag juist was.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij meer beperkingen had dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad overwoog dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen die diverse medische informatie betrokken, waaronder rapportages van behandelaars en deskundigen. De Raad vond geen aanleiding om de medische beoordeling onjuist te achten of een aanvullend deskundigenonderzoek te gelasten.
De arbeidsdeskundige had vier functies geselecteerd waarvan één niet langer geschikt werd geacht, maar de resterende drie wel. De Raad achtte deze functies passend en vond dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een juiste arbeidskundige grondslag berustte. Ook de bezwaren van appellant over onvoldoende afwisseling in de functies en de opleidingseis werden door de Raad gemotiveerd weerlegd.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-uitkering met 35 tot 80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.