ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3531

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4812 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 november 2008

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het UWV om haar per 1 november 2008 geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.

In hoger beroep betwistte appellante onder meer dat een brief van 13 december 2007, genoemd in de rechtbankuitspraak, van een bepaalde arts afkomstig was en stelde zij dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld. Tevens bracht zij stukken in waaruit een toename van beperkingen per 1 juli 2009 zou blijken.

De Raad stelde vast dat de rechtbank abusievelijk een brief toeschreef aan een arts, terwijl deze van een natuurgeneeskundige praktijk was, maar verbond hieraan geen gevolgen. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank dat de medische beoordeling juist was en dat de toegenomen beperkingen pas na de peildatum van 1 november 2008 waren opgetreden.

Daarom faalt het hoger beroep en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering per 1 november 2008 wordt bevestigd.

Uitspraak

10/4812 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2010, 10/378 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [v/d K.] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 10 en 17 maart 2011 zijn namens appellante stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Voor appellante is verschenen [v/d K.] en voor het Uwv is verschenen mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij per 1 november 2008 (de in geding zijnde datum) minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.
2. Bij besluit van 22 december 2009 heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 4 augustus 2009 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 december 2009 ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante op zorgvuldige wijze heeft plaatsgehad. De bezwaarverzekeringsarts heeft een brief van C. Kan van 13 december 2007 en informatie van de medische dienst van het Ministerie van Defensie bij de beoordeling betrokken. Appellante heeft niet met medische gegevens aangetoond dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen reden bestaat voor een urenbeperking.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag liggende functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt. De signaleringen bij de functies, die aangeven dat er mogelijk een overschrijding van de belastbaarheid is, zijn deugdelijk gemotiveerd toegelicht.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak staat dat de bezwaarverzekeringsarts een brief van Kan van 13 december 2007 bij zijn beoordeling heeft betrokken. Appellante is echter pas in juli 2008 voor het eerst bij Kan geweest. Daarnaast is appellante van mening dat zij meer beperkingen heeft dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst is aangenomen. Appellante beroept zich voorts op door haar in het geding gebrachte stukken waaruit zou blijken dat zij per 1 juli 2009 toegenomen beperkingen heeft.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak abusievelijk overwogen dat de brief van 13 december 2007 van Kan afkomstig is. Het betreft echter de gegevens van die datum van Natuurgeneeskundige praktijk M.Th.W. Van den Berge B.V.. De Raad stelt vast dat er sprake is van een kennelijke verschrijving door de rechtbank waaraan geen gevolgen worden verbonden.
5.3. Appellante heeft in hoger beroep de gronden herhaald die ook al in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Appellante heeft echter niet aangegeven waarom naar haar opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden op juiste wijze heeft besproken en op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
5.4. Uit de door appellante in het geding gebrachte stukken blijkt dat de beperkingen van appellante per 1 juli 2009 zijn toegenomen. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv bevestigd dat aan appellante per 1 juli 2009 een volledige Wet WIA-uitkering zal worden toegekend. De Raad overweegt hieromtrent dat uit die stukken niet blijkt dat appellantes beperkingen per 1 november 2008 niet juist zijn vastgesteld. Uit de stukken komt immers naar voren dat appellantes medische toestand nadien verslechterd is.
6. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) T.J. van der Torn.
IvR