ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Rolstoeltaxikostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft sinds 2001 een vervoersvoorziening aangevraagd en na diverse besluiten en rechtsprocedures is haar een rolstoeltaxikostenvergoeding toegekend voor de periode van 6 juli 2001 tot en met 6 mei 2009. Het College heeft een declaratieverplichting opgelegd en de immateriële schadevergoeding afgewezen.
De rechtbank wees het beroep van appellante grotendeels af, onder meer het verzoek om immateriële schadevergoeding en vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante stelde dat zij door het ontbreken van een adequate vervoersvoorziening ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer heeft geleden en dat de declaratieverplichting onterecht is opgelegd.
De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft overlegd om immateriële schade vast te stellen. De wettelijke rente is correct toegepast en de declaratieverplichting is terecht opgelegd volgens de geldende regelgeving en jurisprudentie.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van haar bezwaar door het College met ruim 4 jaar is overschreden, wat het College volledig is toe te rekenen. Voor deze overschrijding kent de Raad een schadevergoeding toe van €4.500.
De Raad vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, en veroordeelt het College tot vergoeding van de redelijke termijn schade en proceskosten.
Uitkomst: Het College wordt veroordeeld tot betaling van €4.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.