ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet in alle perioden gegrond
Appellanten, voormalig gehuwd en ouders van twee kinderen, ontvingen bijstand van verschillende gemeenten. Na een onderzoek naar hun woonsituatie stelde het college vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en herzag de bijstand en vorderde te veel ontvangen bedragen terug.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde in hoger beroep de vraag of appellanten daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding hadden in de betwiste perioden. De Raad concludeerde dat in de periodes van 1 mei 2006 tot en met 31 augustus 2006 en van 1 mei 2007 tot en met 31 oktober 2007 sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf, maar niet in de periode van 20 november 2006 tot en met 30 april 2007.
Hierdoor verklaarde de Raad de herziening en terugvordering van bijstand over de laatste periode onterecht en vernietigde de besluiten van de colleges voor dat deel. De colleges werden opgedragen binnen zes weken de besluiten te herstellen en een nieuwe berekening van de terugvordering te maken. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 1 maart 2011.
Uitkomst: De Raad vernietigt de herziening en terugvordering van bijstand voor de periode 20 november 2006 tot en met 30 april 2007 en draagt de colleges op de besluiten binnen zes weken te herstellen.