ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks gezondheidsargumenten
Appellante kreeg in 2006 bijstand toegekend als renteloze lening volgens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Het College stelde bij besluit vast dat een bedrag van €1.926,89 teruggevorderd moest worden, nadat de bijstand om niet was vastgesteld op €12.448,94 en verrekend met de lening.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de vaststelling van de hoogte van de bijstand en de terugvordering niet inzichtelijk was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege haar gezondheid.
De Raad oordeelde dat het College de berekening voldoende inzichtelijk had gemaakt, mede omdat deze was gebaseerd op door appellante aangeleverde gegevens. De stelling van appellante dat onjuiste gegevens waren gebruikt, werd niet onderbouwd. Ook was er geen sprake van dringende sociale of financiële redenen om af te zien van terugvordering.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand aan appellante wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.