ECLI:NL:CRVB:2011:BP9721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1983 bijstand, laatstelijk als alleenstaande. Het College van Rotterdam trok de bijstand in en vorderde terugbetaling over twee periodes: 1 januari 2002 tot 31 augustus 2003 en 1 januari 2005 tot 31 augustus 2007. Dit vanwege het niet melden van een auto die appellant feitelijk gebruikte en het niet melden van een gezamenlijke huishouding met [M.].
De Raad oordeelde dat de auto, hoewel op naam van de moeder stond, tot het vermogen van appellant moest worden gerekend omdat hij de auto kocht, betaalde en gebruikte. Hierdoor overschreed appellant de vermogensgrens en schond hij zijn inlichtingenplicht. Tevens was vastgesteld dat appellant vanaf juli 2006 zijn hoofdverblijf had bij [M.] en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor hij geen recht had op bijstand als alleenstaande.
Appellant voerde aan dat hij de auto voor zijn moeder had gekocht en dat hij niet zijn hoofdverblijf had bij [M.], maar deze stellingen werden verworpen. Ook het beroep op onzorgvuldig onderzoek faalde. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en het voeren van een gezamenlijke huishouding.