ECLI:NL:CRVB:2011:BP9620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening dagloon WW-uitkering bij arbeidsurenverlies
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin het dagloon voor zijn WW-uitkering werd vastgesteld op basis van de referteperiode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. Appellant stelde dat de referteperiode had moeten lopen tot 31 juli 2008, omdat hij tot en met 11 augustus 2008 een dienstverband had en in juni en juli 2008 loon ontving van zijn laatste werkgever.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en overwogen dat de referteperiode wordt bepaald door de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden, in dit geval 3 juni 2008, de dag waarop appellant feitelijk stopte met werken. Het recht op uitkering ontstond pas op 12 augustus 2008, na afloop van de loondoorbetalingsperiode.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze overwegingen en het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat het onderscheid tussen de dag van arbeidsurenverlies en de dag van het ontstaan van het recht op uitkering essentieel is voor de vaststelling van de referteperiode. Het feit dat appellant geen verwijt treft voor het stoppen met werken verandert hier niets aan. Ook het aanvankelijke standpunt van het UWV dat de door appellant voorgestelde referteperiode zou gelden, doet hieraan niet af.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de referteperiode voor het dagloon wordt bepaald door de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden en wijst het beroep van appellant af.