ECLI:NL:CRVB:2005:AS8542
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken relevant arbeidsurenverlies
Betrokkene was docente bij Fontys Hogescholen en verloor per 1 augustus 1999 haar arbeidsuren doordat zij op non-actief werd gesteld in het kader van een herplaatsingsbeleid. Hoewel zij hoopte op herplaatsing, verrichtte zij vanaf die datum geen werkzaamheden meer voor Fontys. Zij werkte vanaf juli 1999 parttime bij ANWB en werd in februari 2001 daar in vaste dienst genomen.
Appellant, het UWV, weigerde een WW-uitkering omdat op het moment van arbeidsurenverlies geen sprake was van een relevant verlies zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW. De rechtbank stelde dat het arbeidsurenverlies pas op 1 augustus 2000 was ingetreden, maar de Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en stelde dat het verlies feitelijk op 1 augustus 1999 plaatsvond.
De Raad benadrukte dat het moment van arbeidsurenverlies moet worden vastgesteld op basis van de feitelijke situatie, waarbij de niet-verplichting tot arbeid en het niet meer verrichten van werkzaamheden doorslaggevend zijn. De hoop op herplaatsing en het feit dat betrokkene elders werkte, veranderen hier niets aan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het UWV gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WW-uitkering toe te kennen wordt gehandhaafd.