ECLI:NL:CRVB:2011:BP8926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante, die sinds 1997 bijstand ontving, werd door het College van burgemeester en wethouders van Maastricht geconfronteerd met een besluit tot herziening en terugvordering van bijstand over de periode 2003-2006. Dit was gebaseerd op een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij samenwoonde met de vader van haar kinderen, die een Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en haar partner, alsmede die van getuigen en waarnemingen van de sociale recherche, voldoende bewijs vormden dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante voerde aan dat de verklaringen niet juist waren weergegeven en onder druk waren afgelegd, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. Ook de taalbeheersing was voldoende om de verklaring te begrijpen.
De Centrale Raad van Beroep verwierp het hoger beroep en bevestigde het besluit van het College, waarmee de terugvordering van €29.604,41 en de herziening van de bijstand naar de norm voor gehuwden gehandhaafd bleef. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.